"Of Course I Said Yes"
Arthur Barrow's Amazing Adventures of a Life in Music

Een raadseltje: Wat is de overeenkomst tussen Frank Zappa, Giorgio Moroder en Robby Krieger?
Het antwoord: ‘Tink’!

Flauw? Nee hoor! Want Tink is de bijnaam van Arthur Barrow, muzikant, componist en bij ons beter bekend als bassist (en later ook keyboardspeler) bij meerdere Zappa line-ups. Barrow schreef – net als bijna iedereen – een boek: ‘Of Course I Said yes’ over zijn historie in het rijke, Amerikaanse, muzikale leven. Het is een leuk boek, vol anekdotes en gaat (gelukkig) vooral over de periode bij zijn held: Zappa. Barrow lijkt een ja-knikker en dat werkt in zijn voordeel. Slechts een enkele keer knikt hij ‘nee’ en ook dat werkt in zijn voordeel. Tink maakt duidelijk geen amok.
De eerste hoofdstukken gaan over zijn jeugd, de piano thuis (later een Hammond orgel), zijn voorliefde voor muziek (gesteund door zijn ouders), de opleiding en hoe hij kennis maakt met de diverse muzieksoorten, van rock tot Bach. Allemaal goed, als die herrie (rock) maar niet op de huiselijke piano gespeeld wordt als de ouders thuis zijn. Vrienden hebben ‘Absolutely Free’ in huis, maar dat doet hem niets. Later, met terugwerkende kracht, hoort hij ‘We’re Only in it for the Money’ en is verkocht. Langzaamaan begint het – bij ons ook bekende – Grote Sparen en het meer en meer en meer en nog meer willen weten. Dan valt ook zijn besluit om ooit bij Zappa te gaan spelen. Het bezoeken van een concert in de buurt helpt daar dik aan mee. Uiteindelijk hoort hij via de bekende via dat er audities voor basspelers zijn bij heer Z. Hij meldt zich aan met in zijn valies het ingestudeerd werk van zijn potentiele werkgever. Heer Z. eist van alles, vooral het onmogelijke, maar belt Barrow op of hij de volgende dag weer kan opdraven. Uiteindelijk krijgt hij de job, geen garantie, geen royalty’s, maar Barrow is dolgelukkig. Hij zei ‘ja’.
Vinnie Colaiuta is een beest van een drummer. Dat wist ik al, maar Barrow bevestigt dat nog maar eens. De samenwerking is perfect, zo ook die met de roadies. Tip van Zappa: ´die jongens heb je nodig, hou ze maar te vriend’. Zo lezen we over het leven onderweg en wat er zoal wel en niet gebeurt. Bijzonder is Zappa’s omgekeerde psychologie; als je na heel lang oefenen een stuk net niet onder de knie hebt, nou dan laat het maar. Dat roept natuurlijk om het nog beter te doen. Iedereen blij. Ook Barrow legt uit dat zijn muzikale grenzen ver verlegd worden en hij steeds voor nieuwe uitdagingen komt te staan. Uiteindelijk blijkt dat Zappa content is met zijn basspel, zijn extra hulp bij transscripties, maar ook zijn ideeën voor stukken muziek van Santana, the Knack (My Sharona) en Ride Like the Wind (Christopher Cross – een jeugdvriend van Barrow). Zappa neemt ze allemaal op in zijn oeuvre, maar dan wel bewerkt. Denk hierbij aan Variations On The Carlos Santana Secret Chord Progression, Teenage Wind en de vaak voorkomende interrupties in stukken muziek met het thema van My Sharona. Dank Tink. Uiteindelijk mag Barrow terugkeren in de tweede Zappabende, maar dat gaat wat vreemd. Gail belt op met de opmerking dat hij auditie kan komen doen. Dat is een van de weinige keren dat Barrow ‘nee’ zegt. Ja, hij wil wel toeren, maar ‘nee’, Zappa weet wat ik kan dus een auditie doe ik niet. Hij wordt vervolgens gewoon aangenomen. Ook een prachtige anekdote is die waren Zappa hem zegt dat hij te druk is met zijn basspel tijdens The Torture; het minst geliefde nummer van Barrow. Zappa zegt dat hij alleen een ‘A’ moet spelen. Barrow woest. Vervolgens speelt hij inderdaad een ‘A’, maar op de meest vreemde momenten. Zappa zegt niets, maar veel later vraagt hij ‘Was je boos toen, je speelde je kont eraf – your ass off - . Die opname komt vervolgens ook nog eens ‘gewoon’ op cd te staan. Zo zijn er talloze verhalen. Nadat Ed Mann de band verlaat vraagt Zappa Barrow om ‘clonemeister’ te worden, een soort kapelmeister, maar dan anders. Tijdens repetities leidt/lijdt de clonemeister de band door nieuwe stukken, oefent en drilt totdat in de middag de chef opduikt en het overneemt. Dan mag je afdruipen. Maar… er waren een paar vervelende gasten in de band toen, die het leven van Barrow meer dan zuur maakten. Tranen op de wc’s, ingehouden woede, maar je niet laten kennen. Ze worden de mean girls genoemd. Lekker stel. Wie het zijn houdt Barrow voor zich; een echte heer dus. Na enige tijd bij Zappa besluit Barrow zijn eigen weg te gaan en kondigt zijn vertrek aan. Zappa was er niet blij mee, maar accepteerde het wel. In zijn plek komt Scott Thunes. Vreemd is dat Zappa toch steeds terugvalt op Barrow om stukken op te nemen, te oefenen met de nieuwe band, click-tracks te maken, heel foute baspartijen (vindt Barrow ook) in te spelen voor Money en Cheap Thrills enzovoorts. Soms denkt Barrow dat Zappa hem met aantrekkelijke zaken wil ‘verleiden’ terug te keren in het kamp. Als Barrow hoort dat Zappa ziek is zoekt hij hem op en samen luisteren ze naar veel Synclaviermuziek, maar ook naar eigen composities van Barrow. Na het overlijden heeft Barrow nog een akkefietje van Gail over geld dat de muzikanten zouden moeten ontvangen van de Beat the Boots uitgaven. Gail verbiedt uiteindelijk Barrow ooit nog een voet over de deur te zetten. Tsja, dankbaarheid en dat soort zaken. Na Zappa komt Barrow terecht bij discoveteraan Giorgio Moroder en tussendoor steeds bij vriend Robby Krieger (de gitarist van The Doors). Prachtige verhalen, vooral die van een soort reünieconcert (soort, want de zanger is niet meer, zoals bekend), waarbij Ray Manzarek niet weet hoe hij moet spelen en Barrow de akkoorden tijdens een live-festival naar hem toe moet schreeuwen.
Al die verhalen en anekdotes maken het een (snel) leesbaar boek. En, eerlijk gezegd, een van de leukere van de laatste tijd als het gaat over boeken rondom Zappa. Dus, zeg maar gewoon ‘ja’ tegen dit boek.




text ©2016 paul lemmens