IN PERSON:

THE MOTHERS OF INVENTION

Uit 1969 is het artikel van Doon Arbus: In Person: The Mothers of Invention. Het is een stuk dat ik altijd gekoesterd heb, omdat het een prima sfeerbeeld geeft van een concert uit de beginperiode. Het is een artikel dat mij heeft aangezet om meer naar the MOI/FZ te luisteren. Ik heb omdat ik het zo mooi en inspirerend vond vervolgens - als dertienjarige - vrij subjectief vertaald. Het heeft voor mij nog niets van zijn waarde verloren en wellicht is het voor andere mensen een gelegenheid om op een bijzondere manier kennis te maken met de beginperiode van Frank Zappa en diens Mothers, die ik nog steeds zowel even fascinerend als essentieel vind...

... Frank Zappa, componist, dirigent, gitarist en ontwijfelbaar de leider, verschijnt op het podium. Hij draagt een paars, wollen High-Schoolvest, gebreide broek en okerkleurige schoenen, met puntige, omhoogwijzende tenen. Zijn gezicht is glad en hoekig, als een kaartenhuis en is omgeven door een mantel van slordige, zwarte krullen. De snor en het abrupt eindigende sikje vormen een op de kop staand anker. Hij is als een wilde, bosachtige kluizenaar, of erg vriendelijk of erg woest.

De zes andere Mothers volgen op hun elf-en-dertigste; ze vormen een niet bij elkaar passende groep. Elk onderscheid zich van de ander door een filmachtig karakter, even identificeerbaar als Hollywood zelf.

Billy Mundi, de gezette, onopgewekte drummer is als een bakker uit de Franse Revolutie. Roy Estrada zijn elektrische bas liefkozend, kijkt verward en vastbesloten, zoals een Poolse anarchist. Don Preston die zit in een cirkel gevormd door piano, orgel en clavecimbel is goed op zijn bestemming, maar erg vaag, een Don Quichote voor de aanval op de molens. Bunk Gardner, geabsorbeerd door zijn verzameling blaasinstrumenten verschijnt vergeetachtig voor alles, behalve de verwachting muziek te maken. Met zijn zilveren haar en bijgeknipte baard zweet hij de elegantie van een rivierbootgokker uit. Jim Black, de schuinogige, krombenige gongslaander kijkt als een Mexicaanse bandiet. Ray Collins, begunstigd met longen en vernuft in het programma, is een met een hoog voorhoofd uitgeruste Viking.

Zappa heeft nog niet naar het publiek gekeken. Hij is bezig met het instellen van versterkers en het stemmen van zijn gitaar. Hij heeft, onhoorbaar voor het publiek, gekeuveld met Don, zijn schoenveters vastgeknoopt en heeft teugjes bleke koffie gedronken uit een glazen kroes. Zijn nonchalantie is een soort waanzin op zichzelf. Eindelijk verschijnt hij voor de middelste microfoon en kijkt langs de schijn van de spots naar het publiek, rij voor rij, als een soort verkenner: "Hello Pigs." Een paar mensen giechelen kort. Hij spreekt dik, weloverwogen, als een 45-toeren plaat afgedraaid op 33 1/3. Het lijkt hem uiterst koel te maken. "We're gonna lay some thick black sounds on ya", zegt hij, een stukje citerend uit de New York Times dat handelde over een concert van the Mothers.

Het begint met een medley van My Boy Friends Back ("A Rock & Roll song which some of you may have gotten pregnant to."), I'm Gonna Bust His Head en Ninety Six Tears.

Tussen de nummers wandelen sommige Mothers over het podium, anderen gaan door met non-verbale gesprekken of wisselen geestigheden uit. Zappa praat vaak tegen het publiek: "The New York Times schreef dat we ons publiek minachten. Kijk", zegt hij vervolgens minachtend, terwijl hij zijn kroes omhoog houdt, "ik drink dit" en spuwt een mondvol in de richting van het publiek. Het meeste komt terecht op het eind van het podium. Ray, bijna lachend, veegt de rotzooi met een bezem op. Zij hebben een kunst uit stomheid gemaakt.

Halverwege de show introduceert Zappa "dit vreemde, kleine persoontje in gekke kleren, die 'Uncle Meat' genoemd wordt. Ze is een erg jong, uitdrukkingsloos meisje met zijde-achtig haar; ze zingt, soms in duet met Ray. Ze staan met hun borsten tegen en armen om elkaar en kijken liefhebbend en treurig. Ze dansen zelfs met elkaar, gescheiden door een eeuw van stijl. Uncle Meat staart zelfs bij een kaleidoscopische verandering of ratelt een hypnotiserend ritme op de tambourijn of slaat een slag af van Ray's wortelzwaard door gebruik te maken van een slablad als schild.

Aan het eind als ze moe worden, het zingen sporadisch wordt en de grapjes hun clou verliezen wordt de muziek meedogenloos; het gaat maar door en door, het volume en de aandrang maken het luisteren ernaar als een dag aan de oceaan. Naderhand kan er niets meer gehoord worden dan golven. En als het allemaal afgelopen is - het einde is heel abrupt, Zappa zegt "Goodnight" en alle zeven verlaten het podium - gaat de muziek schijnbaar door, zonder hen, een verzwelgend, onafhankelijk ritme, als een aanvulling op het image van de show.

Doon Arbus / Paul Lemmens 2002-2008/ Vertaling 1969!